Learn Dutch vocabulary: Building construction

Dutch English Dutch English
Bouwen To build Afbouwen To complete/finish the build(ing)
De (bouw)ondernemer (building) contractor De bouwvakker Construction worker
Het gebouw Building Afbreken, slopen Demolish
De nieuwbouw New building Het kantoorgebouw Office building
De wolkenkrabber Skyscraper Het fundament Foundation(s)
De torenflat High-rise building, tower block De toren Tower
De lift Elevator De kelder Cellar, basement (at home)
Het souterrain Basement (shop or large building) Het gelijkvloers Ground floor
De bovenste verdieping Top floor Het beton Concrete
De baksteen Brick Het hout Wood
Het glas Glass Het metaal Metal
Het blik Tin Het lood Lead
Het (geel)koper Brass Het (rood)koper Copper
Het brons Bronze Het staal Steel
Roestvrijstaal Stainless steel Roestvrij Stainless, rustproof
Waterdicht Waterproof Het ijzer Iron
Het gips Plaster Het marmer Marble
De triplex Plywood De spaanplaat Chipboard

Learn Dutch | Dutch grammar | Dutch vocabulary | Dutch for beginners | Dutch pronunciation

Can you make 5 sentences with these verbs? Post your answers in the comments below this Youtube video >

Dutch Course Eindhoven TeacherTeacher Philippe

Learn Dutch pdf

Learn-Dutch-Academy-Youtube-subscribe

Learn Dutch by Yourself:

Learn Dutch with us!

Enrol in our next Online Dutch Course >
Dutch Course Eindhoven TeacherTeacher Philippe

Share this page with your friends and colleagues >