Learn Dutch Academy Youtube subscribe

Learn Dutch pdf download

DutchEnglishDutchEnglish
Reizen (n.)Travel, to travelDe reisTrip, journey
Het ticketTicketDe kofferSuitcase
InpakkenTo packUitpakkenTo unpack
Het paspoortPassportGeldigValid
Het buitenlandAbroadDe buitenlanderForeigner
De grens (pl. Grenzen)BorderDe douaneCustoms
De douanebeambteCustoms officerAangevenTo declare
SmokkelenTo smuggleHet wisselkantoorExchange office (money)
WisselenTo change (money)OverstekenTo cross (border)
De pasfotoPassport photoUitgereiktIssued
De verblijfsvergunningResidence permitVerlopenTo expire, expired
Het visumVisaHet vliegtuigPlane
VliegenTo flyDe gezagvoerder, pilootPilot
De steward(ess)Steward(ess)
De bemanningCrewHet vliegveldAirport
OpstijgenTo take offLandenTo land
IncheckenTo check inHet straalvliegtuigJet